“Van mijn achtste tot mijn achttiende waren we elkaars beste maten”, zegt William van Peer over zijn grootvader, wielerlegende Wim van Est uit Sint Willebrord. 'Opa' Wim was de eerste Nederlander die de gele trui droeg in de Tour de France. Onsterfelijk werd 'IJzeren Willem' echter door zijn legendarische val in de afdaling van de Col d'Aubisque tijdens de Tour de France, op 17 juli precies 75 jaar geleden.

“De gaten zitten er nog in”, vertelt William terwijl hij de gehavende gele trui van zijn opa voorzichtig tevoorschijn haalt. "Je ziet nu hoe klein de trui eigenlijk is. Opa was ook maar één meter zeventig.”

Klein van stuk, maar groot van naam. Volgens William is het voor jongere generaties moeilijk voor te stellen hoe populair wielrenners in de jaren vijftig waren. “Mensen als opa waren de popsterren van hun tijd. Betaald voetbal stond nog in de kinderschoenen, terwijl wielrenners al wedstrijden reden in Frankrijk, België en zelfs Noord-Afrika. Dat sprak enorm tot de verbeelding.”

Dat was zeker het geval op 16 juli 1951, de dag waarop Wim van Est de gele trui veroverde in de twaalfde etappe van de Tour de France. Hij won de sprint op de sintelbaan in Dax en toen begon het aftellen. Hoe groot zou zijn voorsprong zijn op geletruidrager Roger Lévêque?

Het werden tien, twaalf en uiteindelijk zelfs zestien minuten. 'Wim van Est pakt de gele trui!' De legendarische radioreporter Jan Cottaar ging compleet uit zijn dak. 

Een dag later verdedigde Van Est het geel in de eerste Pyreneeënetappe. “Hij had het hooggebergte nog nooit van dichtbij gezien en niet geleerd hoe je in de bergen moest koersen. Maar opa kende geen gevaar. 'Kan niet, bestaat niet' is een typische Van Est-uitspraak", vertelt William.

In de afdaling van de Col d'Aubisque ging het mis. Hij nam steeds meer risico en liep zelfs in op de Italiaanse meesterafdaler Fiorenzo Magni. Dat kan niet goed blijven gaan, schoot door het hoofd van ploegleider Pellenaars. Enkele ogenblikken later kreeg hij gelijk. Na een klapband verloor Van Est de controle over zijn fiets en verdween hij tientallen meters diep het ravijn in.

Kees Pellenaars liet zijn tranen de vrije loop. Maar op een paar schrammen en kneuzingen na mankeerde Van Est niets. Met aan elkaar geknoopte fietsbanden trokken zijn redders hem uit het ravijn. IJzeren Willem wilde verder rijden. "Waar is mijn fiets?" vroeg hij, maar zijn ploegleider hield hem tegen. Hij kreeg een flinke scheut cognac tegen de schrik en werd naar het ziekenhuis gebracht.

“Opa vertelde dit verhaal nog jarenlang met zichtbaar plezier”, zegt zijn kleinzoon. “Ik ging vaak met hem mee naar de Acht van Chaam of de Draai van de Kaai. Overal waar we kwamen, werd hij aan die val herinnerd. Maar opa was natuurlijk meer dan alleen die val, hij was voor veel mensen een wielerheld."

“Als hij bijvoorbeeld tijdens de Acht van Chaam met zijn Volvo het parcours opreed, galmde de stem van de speaker over het terrein: 'Dames en heren, IJzeren Willem is gearriveerd!' Dat zegt alles over de status die hij had."

“Zelfs bisschop Muskens kreeg het tijdens zijn uitvaart in 2003 zichtbaar te kwaad. Dat zegt voor mij alles. Voor Nederland was hij IJzeren Willem. Voor mij was hij gewoon opa, een lieve man die er altijd voor ons was.”

"Opa was heel sociaal, het menselijk contact zat diep in zijn karakter. Als hij mensen van de plantsoenendienst aan het werk zag, stapte hij net zo makkelijk op ze af voor een praatje als wanneer oud-premier Dries van Agt langskwam. Voor hem was iedereen gelijk”, zegt zijn kleinzoon terwijl hij de gele trui van zijn opa weer voorzichtig teruglegt in de kast.

De trui bewaart hij tussen een verzameling trofeeën, krantenknipsels, boeken en foto’s die samen het levensverhaal vertellen van de wielerlegende uit Sint Willebrord.