Was ze 'een kindermoordenaar van het wreedste soort'? Of een vrouw die in een vlaag van verstandsverbijstering, uit pure wanhoop, haar net geboren baby wilde doden maar daar op het laatste moment vanaf zag? Josina Peereboom uit Bergen op Zoom kreeg in 1789 de doodstraf voor wat ze haar kind aandeed.  Dat vonnis werd omgezet in levenslang gevangenschap en die straf bleek vele malen erger.

Josina wordt in 1762 geboren in Bergen op Zoom, dat is dan nog een belangrijke vestingstad waar duizenden militairen verblijven. Die jonge mannen kijken maar wat graag naar al het vrouwelijke schoon dat ze voorbij zien struinen. En vaak blijft het niet bij kijken.

Josina, die in het geromantiseerde boek dat Kees Becht in 1992 over haar maakte wordt omschreven als niet een van de snuggerste, valt op haar 21e voor de charmes van ene Rinus Matthijsz. Ze delen het bed en zij raakt zwanger. Hij belooft haar te trouwen, maar zijn regiment vertrekt en de soldaat laat nooit meer iets van zich horen. 

Ze baart ongehuwd, wat in die tijd een grote schande is, een dochter: Merieke. Tot groot verdriet van ouders. Vooral vader Gieljam is buiten zinnen, scheldt haar uit voor slet en soldatenhoer. "Als 't nog een keer 's gebeurt, slaan ik oe dood!", bijt hij zijn dochter toe.

Toch trapt Josina een paar jaar later in dezelfde val. Soldaat Jan Vis belooft haar eveneens gouden bergen, drukt haar op het hart niemand te vertellen dat ze zwanger is en zweert plechtig haar kort voor de uitgerekende datum te trouwen. Maar Jan vertrekt net als zijn voorganger met de noorderzon.

Josina is ten einde raad. Zeker als ze voelt dat de bevalling begint en de woorden van haar vader door haar hoofd spoken. Ze trekt zich in haar eentje terug in het huis waar ze samen met haar ouders woont, en Maria wordt geboren.  Het gaat niet goed met het meisje, constateert de vroedvrouw die wordt ingeschakeld. Ze ziet dat de navelstreng niet is afgebonden en ontdekt twee grote sneeën in de baby. Josina zegt dat haar kleine is gevallen op de stoof en zich zo heeft verwond. Maar de vroedvrouw vertrouwt het niet en schakelt de autoriteiten in.

Josina wordt vastgezet in de Gevangenpoort en ondervraagd. Ze blijft volhouden dat de baby, die dan net is overleden, is gevallen. Maar als de aanklager een bebloede schaar op tafel legt, breekt ze. Ze geeft toe de sneeën daarmee te hebben aangebracht. Maar daarna bedacht ze zich, waste het kind en nam het op schoot tot het moment dat ze werd ontdekt.  

De aanklager weet genoeg en zet hoog in tijdens het proces. "De gevangene heeft zich door dit alles op een opzettelijke en allerwreedste wijze schuldig gemaakt aan de onmenselijke en allergruwelijkste misdaad van kindermoord en behoort met de dood te worden gestraft."

Josina krijgt de doodstraf. Haar 'advocaat' schrijft snel een gratieverzoek aan de markies, die de baas is van de stad. Deze Karel Philip Theodoor van de Paltz woont niet in Bergen op Zoom en zijn taken worden waargenomen door een zogeheten Raad en Rekenkamer. Die heeft twijfels over het oordeel, ook omdat de dokters nooit een doodsoorzaak van de baby hebben vastgesteld.

Ze sturen het medische rapport op naar de medische faculteit in Leiden. Die concludeert dat niet de wonden die Josina heeft aangebracht, maar het niet afbinden van de navelstreng en het daardoor ontstane bloedverlies de doodsoorzaak is van Maria. Alle reden dus voor gratie en een lange gevangenisstraf, zo adviseert de Raad en Rekenkamer aan de markies.

Maar die gaat er niet meer over. Inmiddels zijn de Fransen aan de macht en de zaak van Josina blijft liggen. Van 1788 tot 1806 zit ze in eenzame opsluiting vast in de Gevangenpoort en leeft ze in permanente onzekerheid of ze ter dood wordt gebracht. Uit kostenoverwegingen wordt ze overgeplaatst naar een tuchthuis in Breda. Daar moet ze werken om te mogen vastzitten.

Een paar jaar later treedt koning Willem I aan en hij verleent vele langgestraften gratie. Keer op keer ziet Josina anderen die wel krijgen, maar haar naam valt nooit. In 1822, ze is inmiddels 60 jaar, probeert ze het nog een keertje. En nu concluderen een speciale commissie en de minister dat haar tijd erop zit. Ze adviseren Willem I haar gratie te verlenen.

Maar die komt te laat. Als Josina weer haar naam niet hoort als de toegekende gratieverzoeken worden opgelezen, draait ze door.  Ze wordt overgebracht naar een gesticht in Den Bosch en sterft daar korte tijd later.

"Josina heeft zich, alleen, verlaten en vergeten haar leven lang dood moeten voelen. Veroordeeld tot een bestaan zonder tederheid en geborgenheid, veroordeeld tot een leven dat een lange wurgende kwelling was tot de dood erop volgde. Veroordeeld tot een leven om gek van te worden. Josina... 't is toch zonde!", verzucht schrijver Kees Becht.