"Midden in de nacht met bebloede handen in een warm zwijnenlijf wroeten... daar moet je een beetje gek voor zijn, toch?" Jager Jan van de Kerkhof (73) vindt van niet. "Het is juist heel normaal. Vroeger deden we niet anders."

Jan is een van de nachtbrakers bij wie Merlijn langsgaat in het tweede seizoen van het programma Merlijn en de Nachtbrakers. Daarin onderzoekt de programmamaker wat er allemaal in onze provincie gebeurt als iedereen ligt te slapen. 

Jan jaagt op wilde zwijnen. Dat betekent: in het holst van de nacht met een doorgeladen geweer door het bos sluipen en urenlang stilletjes wachten in een 'hoogzit', een uitkijktoren aan de rand van het bos. Tot er een wild zwijn of ree in zijn vizier komt. Deze nacht mag Merlijn met hem mee op pad.

 

Een keiharde knal
In Jans 'mancave' hangen tientallen schedels van doodgeschoten reeën aan de muur. Hij beheert al zo’n vijftig jaar het bosgebied rond Valkenswaard. Merlijn mag Jans geweer even vasthouden, maar hij kan er nog niet echt aan wennen.

"Het idee dat je zo met één vingerbeweging een leven kunt beëindigen, terwijl een dier je met reebruine ogen aanstaart, dat blijft lastig", zegt Merlijn. 

Maar zo moet je daar niet over nadenken, vindt Jan. "Het is gewoon nodig. Wilde zwijnen richten enorm veel schade toe en hun vermenigvuldigingsfactor is 300 procent. Als er vijftig zitten en je doet niks, dan komen er honderdvijftig bij. En ze richten veel schade aan."

En dus gaan de mannen op pad, met een lange, koude nacht in de hoogzit in het vooruitzicht. Tot Jan ineens tot stilstand komt. Er staat een heel groepje zwijnen, midden op het pad dat naar de hoogzit leidt.

Voorzichtig sluipt Jan dichterbij. Merlijn houdt zijn adem in, terwijl hij door de nachtkijker volgt wat er gebeurt... En dan klinkt een keiharde knal door het stille bos. Raak. 

Merlijn wil het doodgeschoten zwijn graag een naam geven, maar dat vindt Jan geen goed idee. "Het is in de natuur misgegaan toen we dieren namen gingen geven", zegt hij. "Dan ga je er een bepaalde aaibaarheidsfactor aan geven. Je wil mensen dichter bij de natuur brengen, maar zo sta je juist verder van de werkelijkheid af. Dit beest heeft toch een prachtig leven gehad? Veel beter dan bij een varkenshouder in een varkenshok."

Organen en bloed
Dan is het tijd voor het echte werk: ook Merlijn moet zijn handen vuil maken. Samen met Jan brengt hij het dode zwijn terug naar het slachthuis in Jans garage.

Jan gaat meteen geroutineerd aan de slag. "Ik heb er denk ik inmiddels zo’n vijfhonderd schoongemaakt, dus dan word je er wel een beetje handig in", zegt hij terwijl hij haken door de achterpoten van het zwijn slaat. Met een vlijmscherp mesje snijdt hij het zwijn over de hele lengte open.

"Je moet de ingewanden niet raken, want dan wordt het een smurriezooi. Dat willen we niet, want het vlees is voor consumptie bedoeld." Met een handige beweging zorgt Jan ervoor dat het grootste deel van de organen in één keer in de bak onder het zwijn valt. Dan wordt het Merlijn toch wat te veel: "Ik vind het niet eens heel vies om te zien, maar die lucht! Die is zo penetrant..."

Samen slepen ze de bak naar buiten. "Die zet ik morgen terug in het bos, dat eten de raven en de vossen gewoon op", vertelt Jan. Na het slachten wordt het zwijn nog even gewogen: 43 kilo, schoon aan de haak. Dan moet alleen het bloed nog worden weggespoeld. Een mooi klusje voor Merlijn, voor het zwijn de koeling in gaat.