“Jij komt toch uit Limburg?” Dat wil je natuurlijk liever niet horen als rasechte Brabander. Toch worden beide provincies geregeld op één hoop gegooid. Volgens Arnoud-Jan Bijsterveld (64), emeritus hoogleraar Cultuur in Brabant, heeft dat historische wortels. Hij legt uit waarom we zo aan onze identiteit hechten en hoe politieke en economische ontwikkelingen de verhoudingen veranderen.
Het beeld van Brabant en Limburg als één gebied bestaat al eeuwen. Lange tijd stonden beide provincies bekend als 'het katholieke zuiden', ver weg van het politieke en economische centrum van Nederland.
"Als je anderhalve eeuw terugkijkt, stonden die provincies cultureel en economisch op achterstand", zegt Bijsterveld. “Inmiddels is die achterstand grotendeels verdwenen, maar het beeld van één groot zuiden is hardnekkig.” En 'het zuiden' nemen ze soms wel héél ruim, zo ervaarde hij: "In Amsterdam werd me zelfs eens gevraagd of ik uit België kom."
Het hardnekkige beeld zorgde er mede voor dat Brabanders en Limburgers ieder hun eigen identiteit sterker gingen uitdragen. Vanaf de negentiende eeuw maakten beide provincies, afzonderlijk van elkaar, duidelijk evengoed bij Nederland te horen: "Wij tellen mee. We hebben hier ook cultuur."
Die regionale trots is volgens Bijsterveld vooral sterk in de provincies die ver van het centrale machtscentrum liggen. "Dat is natuurlijk een kwestie van je daartegen afzetten", legt hij uit.
De Brabantse en Limburgse identiteit zijn mede gevormd door de geschiedenis. Vooral Limburg ontstond uit verschillende gewesten die historisch en cultureel weinig met elkaar gemeen hadden. “Brabant kende al langer een zekere samenhang, al waren ook daar de regionale verschillen groot.”
Ook geografische omstandigheden speelden een rol bij de vorming van de twee provinciale identiteiten. Zo vormde De Peel tot ongeveer honderd jaar geleden een moeilijk doordringbare barrière tussen delen van Brabant en Limburg. Daardoor konden dialecten, tradities en gebruiken zich aan weerszijden afzonderlijk ontwikkelen.
Hoe groot die afstand kan voelen, zag Bijsterveld in zijn eigen familie. Zijn vader kwam uit de omgeving van Helmond, zijn moeder uit het Limburgse Weert. Hoewel die plaatsen hemelsbreed nog geen 25 kilometer uit elkaar liggen, waren het in de ogen van hun families bijna twee verschillende werelden.
"Toen mijn moeder vertelde dat ze verkering had met een Brabander, zei haar vader: 'Wat moet jij met zo'n Hollander? Zijn er hier geen goede jongens?' Mijn grootouders konden elkaar bovendien niet verstaan. Dan moesten mijn ouders tolken."
Ook vandaag de dag houden veel mensen vast aan hun provinciale identiteit. Bijsterveld verwijst naar wat psycholoog Sigmund Freud het "narcisme van de kleine verschillen" noemt: groepen die veel op elkaar lijken, benadrukken graag wat hen onderscheidt. "Die gaan een soort competitie aan waarbij ze verschillen zo stevig mogelijk aanzetten."
Dat zie je bijvoorbeeld terug bij carnaval, eetcultuur, voetbal en muziek. Zo vond Bijstervelds moeder het Brabantse carnaval maar niks. "Dat was geen carnaval, vond ze."
